Nathan Cofnas - Academische vrijheid eindigt niet waar maatschappelijke verantwoordelijkheid begint

Gepubliceerd op 26 april 2026 om 21:20

_Abstract

Het debat rond Nathan Cofnas wordt vaak voorgesteld als een strijd tussen academische vrijheid en censuur. Dit artikel leert dat die voorstelling te eenvoudig is. Academische vrijheid betekent dat onderzoekers vragen mogen stellen, hypotheses mogen onderzoeken en vrij kunnen spreken. Maar dat betekent niet automatisch dat universiteiten verplicht zijn elk onderzoek met publieke middelen te ondersteunen.

Universiteiten hebben ook een maatschappelijke opdracht. Zij moeten keuzes maken over welke projecten relevant zijn, welke kennis bijdraagt aan de samenleving en hoe schaarse middelen worden ingezet. Daarom gaat het debat niet alleen over vrijheid, maar ook over verantwoordelijkheid.

Daarnaast wijst dit artikel een derde grens aan: de democratische rechtsstaat beschermt burgers in de eerste plaats als individuen, niet als leden van een groep. Onderzoek naar verschillen tussen groepen wordt problematisch wanneer zo’n statistische gegevens zouden worden gebruikt om beleid te maken dat mensen reduceert tot hun afkomst of huidskleur.

De centrale stelling luidt daarom dat academische vrijheid belangrijk is, maar nooit losstaat van publieke verantwoordelijkheid, juridische gelijkheid en transparantie over de maatschappelijke bedoeling van onderzoek.

_Inleiding

De controverse rond het onderzoek van Nathan Cofnas wordt voorgesteld als een conflict over academische vrijheid. Hij verdedigt onderzoek naar mogelijke gemiddelde cognitieve verschillen tussen etnisch gedefinieerde groepen, waaronder wit en zwart gecategoriseerde populaties. Deze voorstelling is misleidend. Wat mij in deze casus vooral opvalt, is een hardnekkige begripsverwarring. Verschillende vormen van vrijheid worden door elkaar gehaald, alsof zij identiek zijn. Vrije meningsuiting is niet hetzelfde als academische vrijheid. Vrij denken is niet hetzelfde als institutionele legitimatie. En het recht om een hypothese te onderzoeken is niet hetzelfde als een gegarandeerde plicht van een universiteit om onderzoek met publieke middelen te ondersteunen. Als de begrippen niet zuiver worden onderscheiden, dan blijft ook het debat scheefgetrokken.

Ik tracht deze discussie te ordenen aan de hand van vier samenhangende vragen: wat academische vrijheid precies inhoudt, wat haar onderscheidt van vrije meningsuiting, wat vrijheid van denken betekent en hoe deze vrijheden in relatie staan tot de rol van een universiteit binnen de samenleving.

Precies in die vierde vraag ligt volgens mij het werkelijke zwaartepunt van deze discussie. Er ontstaat dan, mijns inziens, een moeilijker, maar relevanter spanningsveld: dat tussen academische vrijheid en academische verantwoordelijkheid dat het wezenlijke punt van discussie is. (Metz, 2010).

_Academische vrijheid

Voordat het bredere debat kan worden gevoerd, is het noodzakelijk helder te definiëren wat onder academische vrijheid wordt verstaan. Het begrip wordt vaak slogansgewijs gebruikt, terwijl het verwijst naar concrete vrijheden die noodzakelijk zijn voor onafhankelijke kennisvorming, kritisch onderwijs en institutionele autonomie. (AAUP, 2006).

Een onderzoeker moet hypotheses kunnen formuleren, onderzoeksvragen kunnen stellen, methodes kunnen kiezen en resultaten onafhankelijk kunnen analyseren en publiceren. Zonder deze vrijheid dreigt wetenschap ondergeschikt te worden aan politieke, ideologische of bureaucratische belangen (UNESCO, 1997).

Een academicus moet zijn onderwijs kunnen vormgeven op basis van expertise, academische standaarden en intellectuele integriteit (AAUP, 2006).

Een onderzoeker moet, zowel vanuit expertise als als burger, vrij kunnen deelnemen aan het publieke debat en ideeën zonder institutionele censuur kunnen uiten (Whittington, 2018).

Onderzoekers moeten vrij kunnen samenwerken, overleggen, discussiëren en wetenschappelijke gegevens uitwisselen met collega’s. Kennis groeit door open kritiek en intellectuele samenwerking (Merton, 1973).

Dit zijn de vier fundamentele dimensies van academische vrijheid. Toegepast op de casus van Nathan Cofnas betekent dit dat hij in beginsel het recht heeft om hypotheses te formuleren, methodes te bepalen, resultaten te evalueren, daarover te communiceren, daarover onderwijs te geven en daarover met collega’s in gesprek te gaan. Op het niveau van academische vrijheid is dat uitgangspunt helder (Wastell, 2024).

_Vrij denken en de les van Henri Poincaré

Henri Poincaré formuleerde een inzicht dat niets aan actualiteit heeft verloren:

"La pensée ne doit jamais se soumettre ni à un dogme, ni à un parti, ni à une passion, ni à un intérêt, ni à une idée préconçue, ni à quoi que ce soit, si ce n’est aux faits eux-mêmes, parce que, pour elle, se soumettre serait cesser d’être." (Poincaré, 1905).

In die stelling ligt een fundamenteel principe besloten. Denken moet vrij zijn. Het mag niet worden geknecht door een ideologische orthodoxie, politieke druk, groepsloyaliteit of emotionele reflexen. Zodra conclusies vooraf vastliggen, houdt het denken op denken te zijn.

Dat geldt ook binnen de academische wereld. Wetenschap kan alleen bestaan wanneer dominante overtuigingen bevraagd kunnen worden en wanneer ook ongemakkelijke vragen onderzocht mogen worden.

“If all mankind minus one were of one opinion, and only one person were of the contrary opinion, mankind would be no more justified in silencing that one person than he, if he had the power, would be justified in silencing mankind.” (Mill, 1859/2003).

In dat opzicht moet ook Nathan Cofnas in beginsel vrij zijn om te denken. Zijn intellectuele zoektocht mag op het niveau van het denken zelf geen grenzen opgelegd krijgen.

_Vrije meningsuiting als democratisch grondrecht

Naast de vrijheid van denken vormt de vrije meningsuiting een tweede fundamenteel principe. Het recht om ideeën en overtuigingen te uiten en te verspreiden zonder ongerechtvaardigde inmenging door de overheid. Vrije meningsuiting geldt als een grondbeginsel van de democratische rechtsorde (United Nations, 1948; European Convention on Human Rights, 1950).

Het recht op vrije meningsuiting beschermt niet alleen populaire meningen. Het beschermt ook standpunten die controversieel, confronterend of onpopulair zijn. Een vrijheid die enkel geldt voor comfortabele overtuigingen is geen vrijheid.

Ook vanuit deze invalshoek moet dus worden erkend dat Nathan Cofnas het recht heeft om zijn opvattingen publiek te delen. Hij mag schrijven, spreken, debatteren en zijn visie verdedigen binnen de grenzen van de wet.

_Waar de discussie werkelijk begint

Tot nu toe hadden we het over individuele vrijheden. Denken moet vrij zijn. Spreken moet vrij zijn. Maar de casus krijgt een geheel andere wending zodra men een bijkomende vraag stelt: wat is de rol van wetenschap in de samenleving, en wat is de plaats van de universiteit in deze relatie? Met deze vraag verschuift het debat van individuele rechten naar institutionele verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheid van een wetenschapper als werknemer van een universiteit.

Wetenschap is meer dan het recht om ideeën te uiten; zij is een functioneel gedifferentieerd maatschappelijk subsysteem waarin kennisclaims via gespecialiseerde communicatie volgens wetenschappelijke procedures worden getoetst en communiceert via de code waar/onwaar (Luhmann, 1990).

Een universiteit is meer dan een verzameling vrije geesten. Zij is een instelling met een publieke opdracht. Daardoor gaat het debat over academische vrijheid niet enkel over individuele rechten, maar ook over de maatschappelijke rol van de universiteit (Tierney & Lanford, 2014).

_De relatie tussen wetenschap en samenleving

Wetenschap heeft binnen de samenleving minstens twee fundamentele functies.

  • Via hypothesevorming, toetsing, argumentatie en kritische controle probeert wetenschap voorlopig betrouwbare kennis te onderscheiden van onbewezen of onbetrouwbare informatie (Popper, 1963). Wetenschappelijke inzichten blijven niet binnen de universiteitsmuren. Zij stromen door naar de maatschappelijke domeinen waar zij nodig zijn.
  • Het is de bedoeling dat een samenleving zich intelligenter, rechtvaardiger en duurzamer kan organiseren. Daaruit volgt een dubbele normatieve logica. Enerzijds moet wetenschap waarheid nastreven via duidelijke methodes. Anderzijds mag de samenleving verwachten dat publiek ondersteund onderzoek op termijn bijdraagt aan innovatie en maatschappelijke vooruitgang (Audretsch et al., 2023).

Universiteiten hebben traditioneel drie kerntaken: onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstbaarheid. Vooral dat derde aspect is in deze discussie van belang. Zij maken deel uit van een bredere samenleving waaraan zij publieke waarde verschuldigd zijn en waarvan zij legitimiteit en middelen ontvangen (UNESCO, 1997).

Dat betekent dat universiteiten keuzes maken over prioriteiten, relevantie, middelen en maatschappelijke impact.

_Waar het debat werkelijk over gaat

Vanuit deze invalshoek wordt duidelijk dat de controverse rond Cofnas niet in de eerste plaats draait om academische vrijheid. Die blijft in beginsel overeind. Evenmin draait zij wezenlijk om vrije meningsuiting. Ook die vrijheid blijft bestaan (Wastell, 2024). Waarover gaat het debat dan wel?

Eerste vraag: past het onderzoek binnen de institutionele visie?

Een universiteit is geen neutrale container waarin elke onderzoeksagenda automatisch dezelfde plaats krijgt. De eerste vraag luidt dus of het onderzoek van Cofnas past binnen de visie die de betrokken universiteit heeft op haar te leveren bijdrage aan samenleving en democratie. Dat is geen censuurvraag, dat is een bestuursvraag.

Tweede vraag: welk maatschappelijk effect mag men verwachten?

Zelfs als een hypothese onderzocht mag worden, blijft de vraag welke effecten de resultaten hebben op de maatschappelijke rol van wetenschap en universiteit. Draagt het onderzoek bij aan een betere maatschappelijke organisatie? Vergroot het inzicht op een constructieve manier? Versterkt het de sociale cohesie of ondermijnt het haar? Helpt het burgers samenleven binnen een democratische rechtsstaat? Leidt het tot meer rechtvaardigheid en meer democratische samenhang?

_De verantwoording van het gebruik van publieke middelen

Onderzoek wordt niet in een vacuüm uitgevoerd. Het vraagt geld, tijd, personeel en infrastructuur. Die middelen zijn schaars. Elke investering in een project betekent minder middelen voor een ander project. Daarom is het volkomen legitiem dat een samenleving vragen stelt. Is het relevant om publieke middelen aan een specifieke hypothese te spenderen? Welke maatschappelijke opbrengst mag men verwachten? Waarom moet een onderzoeksproject prioriteit krijgen? Dat is geen aanval op vrijheid. Het is het dragen van een democratische verantwoordelijkheid.

_Transparantie over normatieve intenties

Hier ontstaat een probleem. Het is bijzonder moeilijk om te achterhalen wat de normatieve intenties van Cofnas zijn. Hier en daar suggereert hij dat resultaten zouden moeten leiden tot beleidsveranderingen, een efficiënter sociaal beleid en realistischer verwachtingen.

Precies op dat punt blijft Cofnas opvallend vaag. Hij verdedigt uitvoerig het recht op onderzoek, maar veel minder duidelijk welk maatschappelijk project met de resultaten wordt beoogd. Evenmin maakt hij helder hoe dit zich verhoudt tot individuele rechten en de publieke opdracht van de universiteit.

Dat is relevant, omdat wetenschappelijk onderzoek vaak descriptief begint maar prescriptief eindigt. Zodra men maatschappelijke relevantie claimt, rijst onvermijdelijk de vraag wat moet met deze kennis gebeuren? Welke problemen wil men oplossen? Welke groepen wil men helpen? Welke visie op rechtvaardigheid ligt eraan ten grondslag? Wie maatschappelijke relevantie claimt, moet bereid zijn daarover transparant te zijn.

_De constitutionele grens van groepsdenken

Er rijst een fundamenteel probleem. Moderne democratische rechtsstaten zijn niet gebouwd rond groepen, maar rond personen. De grondwet beschermt burgers als individuen: dragers van gelijke rechten, gelijke waardigheid en gelijke bescherming door de wet. Niet ras, afkomst of collectieve identiteit vormt het primaire juridische uitgangspunt, maar de persoon. Dat is geen toeval, maar een historische reactie op raciale hiërarchieën en collectieve uitsluiting.

Daarom ontstaat een legitiem spanningsveld zodra onderzoek naar groepsverschillen impliciet wordt vertaald naar beleidsvoorstellen. Statistische gemiddelden zeggen weinig beslissends over concrete personen, die steeds verschillen in talent, motivatie, context en levensloop. Wanneer groepscategorieën richtinggevend worden voor een beleid over kansen, verwachtingen of behandeling, dreigt een rechtsorde gebaseerd op individuen te verschuiven naar een sociale orde gebaseerd op categorieën. Wetenschap mag groepen bestuderen, maar het recht moet erover waken dat burgers nooit tot hun groep worden gereduceerd.

_Conclusie

Niets in deze analyse impliceert dat controversieel onderzoek verboden zou moeten worden; het stelt enkel dat publieke legitimatie meer nodig heeft dan een beroep op vrijheid. De controverse rond Cofnas kan slechts ondubbelzinnig worden beoordeeld wanneer men drie niveaus onderscheidt. Ten eerste worden de maatschappelijke toepassingen van onderzoek steeds begrensd door de rechtsstaat, die burgers in de eerste plaats beschermt als individuen en niet als dragers van groepsessenties. Ten tweede vindt publiek gefinancierd onderzoek plaats binnen de missie van universiteiten, die hun kennisproductie moeten verantwoorden tegenover de samenleving en het geldende recht. Ten derde rust op de onderzoeker de plicht om transparant te zijn over de normatieve doeleinden die met het onderzoek worden nagestreefd.

Precies op dat derde punt blijft Cofnas opvallend vaag. Hij verdedigt uitvoerig het recht op onderzoek, maar veel minder duidelijk welk maatschappelijk project met de resultaten wordt beoogd en hoe dit zich verhoudt tot individuele rechten en de publieke opdracht van de universiteit. Daar ligt de fundamentele zwakte van zijn positie. Academische vrijheid eindigt niet waar verantwoordelijkheid begint. Zij wordt volwassen in die verantwoordelijkheid.

_Literatuurlijst

  • American Association of University Professors. (2006). 1940 statement of principles on academic freedom and tenure. Oorspronkelijk gepubliceerd in 1940. https://www.aaup.org
  • Audretsch, D. B., Fisch, C., Franzoni, C., Momtaz, P. P., & Vismara, S. (2023). Academic freedom and innovation: A research note. Research Policy, 52(6), Article 104765.
  • Cofnas, N. (2018). A plea for open debate on group differences in intelligence. Journal of Controversial Ideas, 1(1), Article 5.
  • Cofnas, N. (2024). A guide for the hereditarian revolution [Online essay]. Substack.
  • European Convention on Human Rights. (1950). Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms (Art. 10). Council of Europe.
  • Habermas, J. (1996). Between facts and norms: Contributions to a discourse theory of law and democracy (W. Rehg, Trans.). MIT Press.
  • Luhmann, N. (1990). Political theory in the welfare state. Walter de Gruyter.
  • Merton, R. K. (1973). The normative structure of science. In The sociology of science: Theoretical and empirical investigations (pp. 267–278). University of Chicago Press. (Origineel werk gepubliceerd 1942)
  • Metz, T. (2010). A dilemma regarding academic freedom and public accountability in higher education. Journal of Philosophy of Education, 44(4), 503–518.
  • Mill, J. S. (2003). On liberty. Yale University Press. (Origineel werk gepubliceerd 1859)
  • Poincaré, H. (1905). La valeur de la science. Flammarion.
  • Popper, K. R. (1963). Conjectures and refutations: The growth of scientific knowledge. Routledge.
  • Tierney, W. G., & Lanford, M. (2014). The question of academic freedom: Universal right or relative term? Frontiers of Education in China, 9(1), 4–23.
  • UNESCO. (1997). Recommendation concerning the status of higher-education teaching personnel. United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization.
  • United Nations. (1948). Universal Declaration of Human Rights (Art. 19). United Nations.
  • Whittington, K. E. (2018). Speak freely: Why universities must defend free speech. Princeton University Press.
  • Wastell, L. (2024, May 6). Why we should defend Nathan Cofnas’s academic freedom. The Spectator.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.