
Abstract
Na Auschwitz weerklonk de roep: “Nooit Meer.” Maar vandaag zegt een officieel VN-rapport dat er in Gaza ernstige gronden bestaan om te geloven dat er een genocide plaatsvindt. Terwijl duizenden levens worden verwoest, zwijgen staten of verschuilen ze zich achter juridische begrippen en procedures. Zwijgen is geen neutraliteit, maar medeplichtigheid. Want het Genocideverdrag van 1948 verplicht staten om niet te wachten tot een rechtbank uitspraak doet, maar onmiddellijk te handelen als het vermoeden van een genocide ernstig is. De vraag is niet of we genoeg weten, maar of we genoeg moed hebben om te reageren op wat we weten.
“Nooit meer.” Het waren de woorden die de Westerse wereld uitsprak na Auschwitz om haar toekomst te beschermen. Maar wat betekent die belofte vandaag, nu in Gaza duizenden mensen sterven en een VN-rapport zakelijk aantoont dat er volgens internationale criteria sprake is van een genocide?
_Het rapport van Francesca Albanese
In maart 2024 presenteerde Francesca Albanese, speciaal rapporteur van de Verenigde Naties voor de bezette Palestijnse gebieden, haar rapport Anatomy of a Genocide. Haar conclusie was ondubbelzinnig: er bestaan “ernstige gronden om te geloven” dat Israël zich schuldig maakt aan genocide in Gaza.
Ze toonde in haar rapport drie belangrijke feiten aan: de systematische vernietiging van de basislevensvoorwaarden van de Palestijnen -zowel in de Gazastrook als op de westelijke Jordaanoever, het doelbewust doden van burgers, en de expliciete taal van de Israëlische leiders, die de intentie om het Palestijnse volk te vernietigen, duidelijk maakten. Tijdens haar persconferentie, op 26 maart 2024, in Genève herinnerde Albanese de wereld eraan dat staten die het Genocideverdrag van 1948 ondertekenden een ondubbelzinnige verplichting hebben om in te grijpen. Veel lidstaten weigeren het rapport te erkennen, en er wordt niet gehandeld. Het contrast tussen de helderheid van de analyse en de passiviteit van de internationale gemeenschap wringt pijnlijk.
_De morele belofte van de Verenigde Naties
Om te begrijpen waarom dit zo ernstig is, moeten we terugkeren naar de oorsprong van de Verenigde Naties. De VN werd in 1945 opgericht in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. De tientallen miljoenen doden, de verwoesting door het oorlogsgeweld en vooral de gruwel van de Holocaust dwongen wereldleiders tot het doen van de volgende belofte: “Nooit Meer”.
Het VN-Handvest legde vier doelen vast: het bewaren van de vrede, het bevorderen van vriendschappelijke relaties tussen staten, het stimuleren van internationale samenwerking en het vormen van een centrum waar staten hun handelen op elkaar afstemmen. De VN was niet enkel een diplomatiek platform, maar een moreel project dat uitdrukkelijk de macht van staten aan ethische grenzen wilde onderwerpen.
_Het Genocideverdrag van 1948
Die morele dimensie kreeg haar scherpste vorm in 1948 met de aanname van het Verdrag inzake de Voorkoming en Bestraffing van Genocide. Dit verdrag was revolutionair omdat het brak met het principe van absolute staatssoevereiniteit. Tot dan toe gold: wat een staat met zijn bevolking deed, viel onder het eigen intern gezag en verantwoordelijkheid.
Het Genocideverdrag stelde daar een grens aan. De bedenker van het begrip genocide, Raphael Lemkin (1944/2008), zag het verdrag als een breuk met de logica van absolute staatssoevereiniteit: misdaden tegen een volk zijn geen binnenlandse aangelegenheden meer, maar misdaden tegen de hele mensheid.
Genocide werd gedefinieerd als een misdaad tegen de hele mensheid, niet als een binnenlandse kwestie. Daarmee werd genocide universeel strafbaar verklaard, zowel in oorlog als in vrede. Staten hebben de plicht om genocide te voorkomen en te bestraffen, ongeacht waar die zich voordoet. Het verdrag verplichtte de wereldgemeenschap dus tot actie. Wegkijken is medeverantwoordelijkheid.
_De ethische consequenties van stilzwijgen
Juist daarom is het onthutsend dat een officieel VN-rapport, dat een genocide vaststelt, geen gevolg krijgt. De ethische consequenties zijn zwaar.
- De belofte van “Nooit Meer” wordt gereduceerd tot holle retoriek. Plechtige woorden zonder daden verliezen hun betekenis.
- Staten ontlopen hun eigen verantwoordelijkheid: wie het rapport negeert, schendt niet alleen een morele plicht maar ook het internationale recht. Zoals Schabas (2009) benadrukt, is de drempel van “ernstige gronden om te geloven” in het internationaal recht bewust laag gehouden om staten te verplichten preventief op te treden. Wachten op sluitend bewijs of een juridisch oordeel betekent de geest van het verdrag ondermijnen.
- De Holocaust wordt selectief herdacht. Ze fungeert als een symbool en een retorisch ijkpunt, maar de lessen worden niet toegepast op nieuwe casussen. Dit sluit aan bij de kritiek van Finkelstein (2021), die zegt dat de Holocaust vaak wordt ingezet als retorisch instrument, zonder dat de universele les — het voorkomen van nieuwe genocides — werkelijk wordt gehonoreerd.
Daarmee verliezen de VN en haar lidstaten hun morele integriteit. Wat ooit het baken van menselijkheid had kunnen zijn, functioneert nu als een toneel van selectieve verontwaardiging en hypocrisie.
_België als casus: de houding van Bart De Wever
Een recent voorbeeld maakt duidelijk hoe deze dynamiek ook binnen Europa speelt. In mei 2025 noemde de Belgische premier Bart De Wever het gebruik van de term “genocide” met betrekking tot Gaza “te voorbarig.” Dit ondanks het feit dat het rapport van Francesca Albanese al meer dan een jaar eerder was gepresenteerd en de bevindingen daarvan ondubbelzinnig wezen op genocide.
De Wever verwees naar het Internationaal Gerechtshof als de enige instantie die hierover een bindend oordeel zou mogen vellen, en schoof daarmee de verantwoordelijkheid van België zelf terzijde. Hij reageerde op de vraag van een journaliste: “You’re already operating under the assumption of genocide — that is something for the International Court of Justice to determine.” Dezelfde houding zien we in andere Europese landen zoals Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, waar men formeel naar Den Haag verwijst om feitelijke verantwoordelijkheid te ontlopen.
Deze houding is illustratief voor het bredere probleem dat we hebben geschetst. Het Genocideverdrag verplicht staten namelijk niet om te wachten op een rechterlijke uitspraak, maar juist om onmiddellijk actie te ondernemen zodra er ernstige aanwijzingen zijn dat een genocide plaatsvindt. Door te stellen dat het “te vroeg” is om het woord genocide te gebruiken, reduceert De Wever moraliteit tot legalisme: hij beroept zich op juridische procedures om te vermijden dat België zelf een moreel standpunt moet innemen.
De hypocrisie wordt nog pijnlijker. Terwijl in Gaza dagelijks duizenden levens op het spel stonden, koos De Wever ervoor om niet terug te keren uit vakantie, zelfs niet “voor een stukje theater,” zoals hij zelf verklaarde. Dat staat in schril contrast met de ernst van de beschuldigingen van genocide en de belofte van “Nooit Meer.” Zo wordt de urgentie van ethisch handelen ingeruild voor procedurele uitvluchten en persoonlijke prioriteiten.
De houding van De Wever legt zo de spanning bloot tussen juridische formele neutraliteit en morele verantwoordelijkheid. In plaats van de belofte van “Nooit Meer” ernstig te nemen, wordt ze herleid tot een kwestie van procedure, tijdswinst en diplomatieke voorzichtigheid. België positioneert zich daarmee niet als verdediger van de internationale rechtsorde, maar als een staat die morele verantwoordelijkheid ondergeschikt maakt aan politieke strategie en gemakzucht.
_Communicatie en de moraliteit van systemen
Sociale systemen worden niet alleen bepaald door wetten en instellingen, maar vooral door de communicatie die binnen die systemen circuleert. De moraliteit van een systeem is niet een abstract ideaal, maar de resultante van de woorden, daden en boodschappen die in het systeem verspreid worden.
Daarom is het cruciaal dat instituties als de Verenigde Naties hun eigen rapporten ernstig nemen en gebruiken als fundament om morele regressie te stoppen. Het rapport van Francesca Albanese is zo’n fundament: een helder en ondubbelzinnig signaal dat een genocide plaatsvindt, en dat actie vereist is. Door dit rapport te erkennen en ernaar te handelen, bevestigen staten niet alleen de waarde van het rapport zelf, maar ook het vertrouwen in de VN als instituut. Dat vertrouwen moet ook uitgesproken worden: het is een vorm van communicatie die het systeem versterkt in zijn vermogen om internationaal recht te laten gelden.
Wanneer deze communicatie helder en consistent is, neemt de kans op een verdere genocide af en groeit de kans op een oplossing. Omgekeerd: wanneer communicatie wordt verengd tot legalistische uitvluchten of bureaucratische stilte, wordt het systeem moreel verstomd. En zodra een systeem moreel verstomt, worden de kans op een genocide groter en de mogelijkheden voor vrede kleiner.
Met andere woorden: laat u als mens nooit moreel verstommen door een legalistische logica. Want als woorden weigeren te benoemen wat er gaande is, komt de noodzakelijke actie te laat.
_Structurele oorzaken van falen
De oorzaken van dit falen zijn bekend. De Veiligheidsraad is structureel verlamd door het vetorecht van de vijf permanente leden. Zodra een van hen of hun bondgenoten betrokken is, wordt een effectief optreden geblokkeerd. Staten laten zich leiden door politieke en economische belangen in plaats van morele en juridische verplichtingen. Er ontstaat een selectieve toepassing: genocides gepleegd door vijanden worden benoemd en aangepakt, genocides die worden gepleegd door bondgenoten worden verzwegen.
Daarbovenop beschikt de VN niet over een eigen handhavingsmacht en is ze afhankelijk van de bereidheid van haar leden om middelen en manschappen te leveren. En tenslotte speelt de gebruikte taal een cruciale rol: omdat het woord “genocide” tot directe acties verplicht, spreken staten liever in termen van “een humanitaire crisis” of “een ernstige mensenrechtenschendingen”. Taal wordt een instrument om verantwoordelijkheid uit te stellen of te ontkennen.
_Mogelijke oplossingen
Dit hoeft niet te betekenen dat de wereld machteloos is. Er zijn wel degelijk oplossingen denkbaar.
Een eerste stap is de hervorming van de Veiligheidsraad. Het vetorecht zou moeten worden beperkt of afgeschaft in gevallen van massale mensenrechtenschendingen. Daarnaast moet de internationale rechtsstaat worden versterkt. Het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof hebben formeel de bevoegdheid om te oordelen over genocide, maar hun effectiviteit hangt af van de bereidheid van staten om hun uitspraken te respecteren.
Een derde mogelijkheid ligt in de kracht van de burgermaatschappij. Een stevige druk van de publieke opinie, de media en maatschappelijke organisaties kan het verschil maken.
Ook de manier waarop we het verleden herdenken vraagt om verandering. Een Holocaustherdenking die niet wordt gekoppeld aan engagement tegen actuele genocides, is niets meer dan een holle ceremonie. De enige geloofwaardige vorm van herinnering is er één die leidt tot actie in het hier-en-nu.
Tenslotte kunnen alternatieve regionale organisaties zoals de Afrikaanse Unie, de Europese Unie of de Arabische Liga hun eigen beschermingsmechanismen ontwikkelen. Als de VN faalt, kunnen zulke verbanden sneller en minder geblokkeerd handelen.
_Tot slot: de test van een beschaving
De geschiedenis plaatst ons voor een eenvoudige maar allesbepalende test. “Nooit Meer” was nooit bedoeld als een herdenkingsslogan, maar als een opdracht. De feiten liggen op tafel, de verplichtingen zijn helder. Het is aan de staten van vandaag om te beslissen: ofwel bewijzen we dat “Nooit Meer” méér is dan een sloganeske frase, ofwel aanvaarden we dat we enkel hebben geleerd om Auschwitz te herdenken en niet te voorkomen. De ware maat van een beschaving is niet de monumenten die ze opricht voor de doden, maar de moed die ze heeft om de levenden te beschermen.
Bronnen
Albanese, F. (2024). Anatomy of a genocide: Report of the Special Rapporteur on the situation of human rights in the Palestinian territories occupied since 1967. United Nations Human Rights Council. https://www.un.org/unispal/document/anatomy-of-a-genocide-report-of-the-special-rapporteur-on-the-situation-of-human-rights-in-the-palestinian-territory-occupied-since-1967-to-human-rights-council-advance-unedited-version-a-hrc-55/
Arguello, A. V. (2025, May 1). Belgian premier rejects genocide allegations against Israel, says not the time for ‘Palestinian state’ recognition. The Algemeiner Journal. https://www.algemeiner.com/2025/05/01/belgian-premier-rejects-genocide-allegations-israel-says-not-time-palestinian-state-recognition/
Finkelstein, N. G. (2021). The Holocaust industry: Reflections on the exploitation of Jewish suffering (3rd ed.). Verso.
International Court of Justice. (2024, April 3). Application of the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide in the Gaza Strip (South Africa v. Israel), Order. Reports of Judgments, Advisory Opinions and Orders. The Hague: ICJ.
Lemkin, R. (2008). Axis rule in occupied Europe: Laws of occupation, analysis of government, proposals for redress. Lawbook Exchange. (Origineel werk gepubliceerd in 1944)
Schabas, W. A. (2009). Genocide in international law: The crime of crimes (2nd ed.). Cambridge University Press.
United Nations. (1945). Charter of the United Nations. United Nations. https://www.un.org/en/about-us/un-charter
United Nations. (1948). Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide. United Nations. https://www.un.org/en/genocideprevention/documents/atrocity-crimes/Doc.1_Convention%20on%20the%20Prevention%20and%20Punishment%20of%20the%20Crime%20of%20Genocide.pdf
United Nations Security Council. (n.d.). The veto power. United Nations documentation. https://www.securitycouncilreport.org/un-security-council-working-methods/the-veto.php
Reactie plaatsen
Reacties